Bijzonder goede Toespraak van Yves Leterme

Toespraak Nieuwspoort-diner: het Rijnlandmodel

26/11/2008 – Den Haag

Het is mij een eer en een genoegen om op dit Nieuwspoortdiner het woord te nemen en uw gezelschap toe te spreken. In het bijzonder dank ik minister-president Balkenende voor de vriendelijke woorden aan mijn adres. U zult hebben gemerkt, dames en heren, dat de goede relaties tussen de Nederlandse minister-president en mij meer zijn dan de gebruikelijke vriendelijkheid en het goede nabuurschap van bevriende buurlanden. U kunt ons bevriende premiers noemen. Er is immers heel wat dat ons bindt.

Alvast de zakelijke stijl en de no-nonsense aanpak. Naast de blackberry ligt op onze regeringstafels de rekenmachine. Zuinig bestuur is immers goed bestuur. Die zakelijkheid en zuinigheid die we gemeen hebben, zijn evenwel gestoeld op een verantwoordelijkheidsgevoel. Ook dat delen wij. In het centrum van dat verantwoordelijkheidsbesef staat bij ons beiden de zorg om de mens, de hele mens. Dat is trouwens de kern van het christendemocratisch gedachtegoed dat minister-president Balkenende en ik delen.


Zuinig bestuur, verantwoordelijkheid en zorg voor de mens zijn uitgangspunten waaruit christendemocraten ook de economie benaderen. Ter wille van de mens en uit verantwoordelijkheid voor de toekomst menen wij dat de staat in het economisch verhaal zuinig aanwezig moet zijn, zuinig maar wel aanwezig. Politiek is immers dienstbaarheid, ze staat ten dienste van de mensen.


Een Duitse krant herinnerde onlangs aan de uitspraak die een bekende ondernemer een half jaar geleden deed. Deze had toen gezegd dat hij maar één wens had ten opzichte van de staat: “Staat, je staat in mijn zon; ga asjeblieft weg!” De krant voegde er fijntjes aan toe dat die zelfde ondernemer vandaag een van de vurigste pleitbezorgers is van staatshulp voor het schipbreuklijdende financiële systeem. Het kan verkeren.


In welke mate de staat een rol kan spelen en in hoeverre dat nuttig en bevorderlijk of ongunstig en remmend is voor de economie, is een van de zaken waar het Rijnlandmodel, het economische model dat westelijk Europa groot heeft gemaakt, zich mee bezighoudt.


Er zijn verschillende systemen denkbaar om economie en samenleving te organiseren. Na het verdwijnen van de communistische Planeconomie (eind van de jaren tachtig), bleven er nog drie modellen over:
– het Angelsaksische model van vrije markteconomie;
– het Chinese centraal geleide kapitalistische ontwikkelingsmodel (bij uitbreiding het Aziatische model);
– het Rijnlandmodel van sociale markteconomie.


Nogal wat economisten bij ons waren koele minnaars geworden van dit Rijnlandmodel. Ze waren ervan overtuigd dat in het licht van de globalisering alleen het neoliberale Angelsaksische model van lage belastingen, geringe regelgeving en een gekortwiekte overheid voor economische wonderen kon zorgen. Deregulering werd het parool, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook in de Europese Unie. Of zoals de die Duitse ondernemer zei: “Staat, je staat in de weg, ga uit mijn zon!”


De jongste maanden heeft het neoliberalisme evenwel zijn zwakheid getoond. Zelfs Francis Fukuyama zegt vandaag dat het neoliberale kapitalisme is ontspoord, omdat het “niet langer een pragmatische reactie was op de uitwassen van de welvaartsstaat, maar een ideologie was geworden”. Het neoliberale marktmodel ging ervan uit dat de marktdeelnemers, gestuurd door correcte informatie van onder andere de zogenaamde Rating Agencies, altijd rationeel zouden handelen (de ‘rational choice’ was onbetwistbaar). De huidige financiële crisis wijst uit dat de markt niet alleen rationeel maar ook zeer gevoelsmatig reageert. De grenzen van de ‘rational choice’ zijn aangetoond.


En Azië dan? Dat China zijn historische plaats van eeuwen geleden in de wereldeconomie opnieuw inneemt, is niet iets wat me moeten betreuren, integendeel. Daarmee moet het Chinese, bij uitbreiding Aziatische, model van autoritaire staat en laissez-faire-kapitalisme nog niet geprezen worden. Ik stel echter vast dat sommige organisatieadviseurs, zoals McKinsey en Boston Consulting Group, vol lof zijn over de Chinese hybride ondernemingen, half privé half overheid.


Die reusachtige bedrijven, met een minderheidsnotering op de beurs, zijn inderdaad erg competitief. Het Chinese model heeft groeisnelheid bewezen, maar ook weinig welzijnscapaciteit. In China ontstaat een welgestelde middenklasse, maar tegelijkertijd werken vele miljoenen arbeiders in mensonwaardige arbeidsomstandigheden; hun familie- en gemeenschapsleven en hun woonomgeving worden zonder omzien gesloopt. De aanslag op milieu en grondstoffen is nooit gezien.


Wij moeten er ons bovendien zorgen over maken dat in China economisch kapitalisme kan samengaan met politieke partijdictatuur. Gingen wij niet uit van de noodzakelijke en vanzelfsprekende samenhang van een vrije niet door de staat gedirigeerde (sociale) markteconomie en een democratische staatsvorm van de rechtsstaat? Geen democratie zonder vrije economie, maar ook geen vrije economie zonder democratie. Maar China combineert een vrije markteconomie met een politieke partijdictatuur. De combinatie van ‘laissez-faire-kapitalisme’ in de economie met ‘autoritair totalitarisme’ in de staatsordening kan moeilijk een model voor ons zijn. Ze is wel een uitdaging.


Het is belangrijk dat wij opnieuw onze eigen footprints onder de loep leggen: namelijk het Rijnlandmodel met zijn zorg voor welvaart én welzijn, voor economische groei, ecologische duurzaamheid en sociale zekerheid.

—–

Hoewel de term Rijnlandmodel zelf behoorlijk jong is (in 1991 voor het eerst gebruikt in het boek ‘Captalisme contre capitalisme’ van Michel Albert), voor de grondslagen van de “sociale markteconomie” die we Rijnlandmodel zijn gaan noemen, moeten we teruggaan naar de jaren dertig van vorige eeuw, toen de Freiburger Schule van Franz Böhm en Walter Eucken met het tijdschrift ‘Ordnung der Wirtschaft’ de grondslagen legde van de sociale markteconomie, ook ordoliberalisme genoemd, waarvoor ook Wilhelm Röpke en Alexander Rüstow, die zelf niet behoorden tot de Freiburger Schule, fundamenten aanleverden. De wortels van het Rijnlandmodel reiken zelfs tot in de negentiende eeuw waar de sociale en politieke filosofie reageerde tegen het hebzuchtige individualisme en het laissez-faire-kapitalisme van de industriële revolutie – denken we aan de verplichte sociale zekerheid van Bismarck.


Ook de pauselijke encycliek van Leo XIII uit 1891, Rerum Novarum, was geïnspireerd door dezelfde principes, gericht op de verzoening van verschillende economische actoren en gefocust op de verhouding van kapitaal en arbeid, met wederzijdse rechten en plichten. De hieruit ontwikkelde Sociale Leer, met zijn nadruk op een actieve rol van de overheid in de economie ter wille van het algemeen belang en het sociale welzijn, heeft ook het personalisme geïnspireerd van de christendemocratie dat de mens niet ziet als een louter individu maar als een ‘persoon’, een uniek wezen dat op vele wijzen verbonden is met anderen. Het is geen toeval dat Emmanuel Mounier zijn personalisme ontwikkelde na de crach van Wallstreet (1929). Duidelijk werd dat de mens opnieuw ook op economisch vlak in het centrum moet blijven. Ook bij Ludwig Erhards Wirtschaftswunder was dat het uitgangspunt: “Allen moeten aan het succes deelnemen”, zei hij.


Daar ligt onze kritiek op het Angelsaksische model: niet de mens, dat wil zeggen ook alle mensen – in hedendaagse terminologie uitgedrukt: alle stakeholders – staat er in het centrum. Bij het neoliberalisme wordt te eenzijdig aan de aandeelhouders gedacht, of…misschien zelfs uitsluitend aan de managers.


Precies omdat het Rijnlandmodel alle stakeholders voor ogen heeft, de samenwerking vooropstelt en de sociale bescherming essentieel acht, is het geïnteresseerd in goede arbeidsverhoudingen, hecht het belang aan collectieve successen door samenwerking en niet alleen aan individuele competitie. Precies omdat economie de mens tot doel heeft en niet omgekeerd, is het Rijnlandmodel gericht op economische waardecreatie op lange termijn. De vrijheid van initiatief gaat voor ons samen met verantwoordelijkheid.


Het Rijnlandmodel is gebaseerd op vijf principes:


1 – De markt is het beste mechanisme om welvaart te genereren, maar om iedereen gelijke kansen te geven om op die markt te opereren is gepaste overheidsinterventie noodzakelijk om bepaalde marktfeilen op te lossen.


2 – De sociaaleconomische politiek moet stoelen op een nauwe coördinatie tussen vakverenigingen, werkgeversorganisaties en overheid (het zogenaamde tripartiete systeem).


3 – Het Rijnlandmodel geeft maximale vrijheid aan het privé-initiatief, met persoonlijke verantwoordelijkheid. De burgers mogen niet verwachten dat de staat voor alles zorgt en de staat mag het privé-initiatief niet vervangen, maar moet wel de voorwaarden scheppen opdat het zou kunnen floreren (vandaar de rol van de nonprofit-sector).


4 – Het Rijnlandmodel hanteert een langetermijnvisie op het vlak van investeringen en arbeidsverhoudingen.


5 – Subsidiariteit is daarbij een leidend principe: beslissingen moeten gedecentraliseerd worden genomen, op het meest geschikte niveau.


In hun kritiek dat het Rijnlandmodel de economische vrijheid aan banden zou leggen, vergeten de neoliberalen dat het in de economie niet alleen gaat over vrijheid maar ook over vertrouwen. Vertrouwen vat je niet in economische parameters, maar het is en blijft een van de belangrijkste “assets”. Sociale wetenschappers weten dat de mate waarin een samenleving vertrouwen kent, belangrijk is voor haar welslagen en haar functioneren. Ook in de economie is vertrouwen van groot belang. En dat beseft het Rijnlandmodel zeer goed.


Dat vertrouwen ontstaat door een cultuur en een systeem van overleg tussen markt, overheid en middenveld (organisaties van werkgevers en werknemers). In mijn land verwacht ik dan ook voor de komende tijd veel van het huidige, lopende overleg tussen werkgevers en werknemers over een nieuw loonakkoord, wat bij ons het Inter-Professioneel Akkoord wordt genoemd (IPA).


Dat vertrouwen en die langetermijnvisie kunnen niet worden bereikt, als we de markt verabsoluteren en idealiseren: de risico’s die een loutere marktwerking met zich brengt, maken wantrouwig. Wat het ontbreken van vertrouwen betekent, heeft de huidige financiële crisis voldoende getoond.


Als het Rijnlandmodel een gecorrigeerde markteconomie voor ogen heeft, dan is dat niet om het vrije initiatief en de mededinging te hinderen maar om monopolievorming en kartelvorming te verhinderen en zo de markt als het ware te verbreden voor meer spelers en meer concurrentie. Als boutade kunnen we zeggen: niet minder maar meer markt is het doel van het Rijnlandmodel. Misschien kunnen we spreken van het “Rijnmarktmodel”. Het wil immers garant staan voor een ‘op lange termijn’ functionerende markteconomie die berust op vrijheid, mededinging, verantwoordelijkheid én solidariteit.

 

 

Ten andere, in ons Rijnlandmodel staat niet alleen economische groei voorop, maar ook sociale vooruitgang. Niet alleen vrijheid van initiatief en verhoging van de consumptie, maar ook werkverschaffing, sociale loonpolitiek en participatie.


Feit is wel dat de markt (het mededingingsprincipe alleen) niet in staat is om zonder staatsinterventie bepaalde externe markteffecten, zoals milieuvervuiling, op te lossen. De vraag van vandaag is: wat is in het kader van een globaliserende wereldeconomie de ‘nieuwe’ balans tussen burger en overheid?

——

Het Rijnlandmodel stond/staat, door die globalisering, al een hele tijd onder druk. Wie op Google ‘Rijnlandmodel’ intikt, krijgt meteen een reeks sites met titels als: “Rijnlandmodel heeft afgedaan”, “Rijnlandmodel is dood”… En in de economische pers was het Rijnlandmodel ook al geen geliefd onderwerp meer: het Britse economisch magazine The Economist bijvoorbeeld voegde er altijd het adjectief “achterhaald” aan toe.


In de economische wetenschap is de marginalisering van ‘ons’ model al veel langer bezig: al van in de jaren dertig in zekere zin, en voornamelijk sinds Milton Friedman, de voorvechter van het vrijemarktkapitalisme en de beperkte overheid, in 1976 de Nobelprijs voor Economie kreeg. Zo kwam het Rijnlandmodel onder druk te staan, zowel vanuit de academische wereld als vanuit instellingen zoals de Europese Commissie, het IMF en de OESO. Wat waren de opmerkingen?


1 Dat sinds de jaren tachtig de Verenigde Staten beter presteerden op het vlak van de groei van het BBP en de jobcreatie dan de Europese Unie.
2 Dat de financiering van het Rijnlandmodel duur is (zie onder meer de zware last van de sociale zekerheid), zeker in het licht van de vergrijzing.
3 Dat het streven naar een tripartiete consensus van het Rijnlandmodel veel tijd doet verliezen.


De Verenigde Staten presteerden qua groei inderdaad beter, “tot recentelijk”. Het verschil in economische groei tussen de landen van het Rijnlandse model en deze van het Angelsaksische model is geslonken. Het is bovendien vooral het Angelsaksische kapitalistische vrije-marktmodel dat zijn zwakheid heeft getoond. Daar is de financiële crisis begonnen. En bovenal, de Amerikaanse economie heeft weinig oog voor de sociale en de ecologische aspecten van de economie.


De arbeidsproductiviteit die we kunnen beschouwen als de ultieme bron van economische voorspoed, is bovendien bij ons (België) tien procent hoger dan in de Verenigde Staten. Als de arbeidsproductiviteit in Duitsland net beneden die van de USA ligt (maar boven die van het Verenigd Koninkrijk), dan is dat te wijten aan de lage arbeidsproductiviteit in de oostelijke Duitse deelstaten (die in hun mentale kielzog nog de last van het communisme meeslepen).


Het is ook een mythe dat het Rijnlandmodel innovatie zou tegenhouden. Precies vanuit zijn langetermijnvisie legt het Rijnlandmodel veel meer de nadruk op industriële innovatie dan op ‘financial engineering’. Het is waar dat zowel het percentage van het BBP dat gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling als het totaal van de investeringen voor O&O in de Verenigde Staten hoger is dan bijvoorbeeld in Duitsland, maar Duitsland heeft meer patenten die zowel in Europa, Amerika als Japan zijn gepatenteerd. België op zijn beurt is wereldleider op het vlak van de ‘in-house product innovators’, innovaties die binnen de bedrijven zelf worden ontwikkeld: tussen 2002 en 2004 bijvoorbeeld kenden 55 procent van de grote Belgische bedrijven en 25 procent van het Belgische Klein- en Middelgroot bedrijf (in mijn land Kleine en Middelgrote Ondernemingen genoemd) dergelijke innovaties op het vlak van nieuwe producten, nieuwe processen, nieuwe markten en nieuwe organisatiemethodes.


Dat heeft wellicht ook te maken met de andere arbeidsverhoudingen in onze bedrijven. Het Angelsaksische model legt heel sterk de nadruk op externe flexibiliteit: dat wil zeggen op het uitbesteden van werk en snelle, simpele ontslagprocedures. Dat heeft uiteraard voordelen (het beperkt de kosten), maar het heeft ook nadelen: men is niet geneigd om te investeren in zijn werknemers (net zoals men minder geneigd is om de interne organisatie van het bedrijf tegen het licht te houden). Het Rijnlandmodel met zijn gereguleerde arbeidsmarkt (onder andere een ingewikkeld ontslagrecht en verbindende CAO’s), heeft voordeel bij investeringen in het eigen personeel en dus in in-house-innovatie: de rem op de externe flexibiliteit bevordert de interne flexibiliteit, en innovatie wordt belangrijker dan kostenbeperking (want tegen lagelonenlanden kan men niet concurreren, wel met technologisch betere producten en processen).


Niet te vergeten natuurlijk, de sociale prestatie van het Rijnlandmodel is superieur op het Angelsaksische model: de armoedecijfers zijn veel lager, het gezondheidssysteem is veel efficiënter en toegankelijker, ook de toegang tot het voortgezet onderwijs is veel hoger in Europa. Het Rijnlandmodel beoogt een ordening van de samenleving die de vrije markt haar werk laat doen zonder de sociale cohesie uit het oog te verliezen. De zwakke mens mag niet aan zijn lot worden overgelaten. The American Dream kan waar zijn… voor de happy few althans, in the European Dream is sociale rechtvaardigheid echter geen loos begrip.


Een goed sociaal vangnet is inderdaad duur en de lasten die op de schouders van de ondernemingen rusten, groot, maar wij willen niet dat ondernemerschap alleen door winstbejag is gekenmerkt en gedreven. Wij willen een ondernemerschap dat de sociale betekenis van goed functionerende bedrijven en een goed functionerende economie ook als een maatschappelijke opdracht ziet.


Dat maatschappelijk doel lazen we, (nu er toch zoveel over de banken wordt gesproken deze dagen), vroeger zelfs in de namen van onze banken: Raiffeisenkas in België en Boerenleenbank in Nederland, Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid in België en Nederlandse Middenstandsbank in Nederland… De Nederlandse oud-bankier Hans Ludo van Mierlo, die zopas een boek uit heeft met als titel: ‘Gepast en ongepast geld. Een zoektocht naar het geweten van banken’, herinnerde daaraan in een recent interview met het dagblad Trouw: “Er is vrijwel geen bank of verzekering of hij kreeg bij zijn oprichting een glashelder maatschappelijk doel mee… Financiële dienstverleners waren één met hun maatschappelijke doelstelling. Geld was geen doel maar een middel, maar nu is het bij de meeste banken middel én doel tegelijk… Nu gaat het in veel raden van bestuur van banken bijna alleen nog over geld, haast nooit meer over onderwerpen van maatschappelijk belang… Er moeten weer primair maatschappelijke doelen worden geformuleerd, anders dan louter financiële…”

——

Het is duidelijk, wil het Rijnlandmodel het leidinggevend model blijven voor Europa, dan moet het terug naar zijn wortels maar ook klaar worden gemaakt voor het postindustriële tijdvak. We staan voor heel wat uitdagingen: globalisering, informatiemaatschappij, vergrijzing en milieuproblematiek.


In onze wereldeconomie spelen afstanden geen rol meer, verplaatsen multinationale ondernemingen makkelijker hun vestigingen en hun productie, worden arbeiders van verschillende landen, regio’s en continenten tegen elkaar uitgespeeld.


Een geglobaliseerde wereld, de zogenaamde global village, is bovendien een wereld waar de factor productiearbeid moet inboeten ten voordele van de factor kapitaal en de macht van de grote ondernemingen, want kapitaal en ondernemingen zijn nog mobieler dan arbeid. Maar ook daarvan heeft de financiële crisis de broosheid laten zien. Bovenal omdat tegenover de geglobaliseerde wereldeconomie er nog geen economische wereldinstellingen staan met voldoende kracht.


In onze postindustriële economie is het aandeel van de industriële goederen gedaald ten voordele van de diensten, wat hoger geschoolde arbeidskrachten vereist die bovendien flexibeler zijn. Dat betekent dat de regels voor de organisatie van de arbeidsmarkt en de werkomstandigheden moeten worden herzien. Vaak dateren de bestaande regels nog uit de tijd van de industriële revolutie, die was gekenmerkt door onder meer vaste uren, vaste werkplek, vaste loonstructuur, vaste functie voor elke werknemer in het bedrijf… De arbeidswetgeving en de sociale wetgeving zijn niet helemaal meer aangepast aan de nieuwe postindustriële samenleving. De postindustriële samenleving heeft immers een ernstige verschuiving doorgemaakt op het vlak van de productiefactoren: van kapitaal-land-en-arbeid naar kennis. Dat veronderstelt flexibiliteit en aanpassingsvermogen, maar leidt ook tot meer onzekerheid en veranderingen. We zitten in een samenleving en in een economie die in volle beweging zijn.


De ICT-revolutie doet de vraag stijgen naar hoog gekwalificeerde arbeidskrachten en doet de vraag afnemen naar laag gekwalificeerde en ongeschoolde arbeiders. Dat betekent dat de toestand voor sommige groepen in de samenleving, de laaggeschoolden met name, erg precair kan worden. Ook dit daagt de sociale aspiraties het Rijnlandmodel uit dat arbeid niet alleen ziet als een productiefactor maar ook als middel tot zelfontplooiing en als maatschappelijke bijdrage.


Natuurlijk moeten wij vermijden dat arbeid een onbetaalbare productiefactor wordt, maar tegelijk blijft een correcte inkomensverdeling een waarde op zich die bovendien bijdraagt tot sociale vrede en stabiliteit. Dat het aandeel van het arbeidsinkomen in het nationale inkomen van de G7-economieën is gedaald van 56 procent tot 53 procent in 2007, terwijl de vennootschapswinsten zijn gestegen van 10 procent van het BBP tot 16 procent, moet ons zorgen baren. Als die trend aanhoudt, zal dit leiden tot ernstige sociale spanningen.


Misschien kunnen we nadenken over een nieuw bezoldigingsstelsel voor werknemers: een vast salaris met daarbovenop een flexibel deel dat afhankelijk is van de bedrijfswinst: hogere lonen in goede tijden, loonmatiging in slechte tijden. Topmanagers kunnen alvast het voorbeeld geven van loonmatiging in deze tijden van recessie. In wat ik de ‘participatieve economie’ zou kunnen noemen, zijn bonussen niet alleen voorbehouden voor de top.


Dat de activiteitsgraad in onze landen moet worden opgetrokken tot 70 procent van de actieve bevolking is een feit. Daar zullen we echter pas in slagen, als we durven nadenken over een nieuwe loonstructuur. De loonstructuur van de industriële samenleving, waarbij lonen toenemen gedurende de hele loopbaan, is wellicht ook niet meer geschikt voor de postindustriële economie. We zouden moeten leren aanvaarden dat een bezoldiging een maximumgrens kan bereiken op een leeftijd onder de pensioenleeftijd, waarna de loongroei trager toeneemt dan de gemiddelde lonen. Dat kan vermijden dat bedrijven hun ‘dure’ werknemers van boven de vijftig proberen van zich af te schudden. Het te vroeg op pensioen sturen van oudere werknemers is bovendien niet goed voor het bedrijf, want het bedrijf stuurt daarmee ook in zekere zin zijn ‘geheugen’ weg. Oudere werknemers verpersoonlijken wijsheid en zorg. Hen aan boord houden past bij de langetermijnvisie van het Rijnlandmodel.


Langetermijnvisie roept bij mij het oude begrip van het Rentmeesterschap op. Dit begrip kan dan al oud zijn, het is vandaag meer dan ooit actueel. Wij hebben de aarde gekregen om – laat mij toe het even Bijbels te zeggen – “haar te bewerken en te bewaren”. De aarde is niet van ons, wij moeten haar doorgeven aan de volgende generaties. Daarom is een van de dringendste vraagstukken van vandaag dit van de impact van het menselijke ‘handelen’ op de aarde. In 1992 lanceerde de Amerikaanse journalist Andrew Revkin de term anthropoceen, om aan te tonen dat de mensheid in een nieuwe geologisch tijdperk is terechtgekomen waarbij “de aarde zelf de uitputtende, vernietigende invloed ondergaat van de mens”.


Daarom sta ik achter EU-initiatieven om regulerend in te grijpen, wanneer de markt tekortschiet en grensoverschrijdende milieueffecten veroorzaakt. De EU zou meer EU-markten moeten inrichten waar het recht op het gebruik van schaarse milieugoederen, het ‘recht om te vervuilen’ wordt uitgewisseld tegen een correcte prijs. Het ‘cap and trade’ systeem van het zopas hervormde Emission Trading Scheme (ETS, regeling voor de emissiehandel) zoals dit in 2013 van kracht wordt, is een goed voorbeeld van hoe de uitstoot van CO2 (en andere broeikasgassen) kan worden verminderd. De EU legt doelstellingen vast op EU-niveau, maar de opbrengst van de verkoop van vervuilingsrechten gaat naar de lidstaten, waar die kan worden gebruikt zoals de lidstaten het zelf willen: voor milieu-investeringen, om lasten op arbeid te verlagen of voor eender welk ander doel. Een dergelijk systeem kan ook toegepast worden om andere milieugoederen beter te beschermen, zoals zuiver water, stilte, om te veel schade aan de ozonlaag door vliegtuigen te voorkomen, enz. De Europese Unie zou ook het voorbeeld moeten blijven geven aan de rest van de wereld en wereldwijde overeenkomsten blijven aanmoedigen, zoals ze deed door de Kyoto- en Bali-akkoorden te promoten.

——

Het is duidelijk: de vrije markt kan pas goed werken, dat wil zeggen met de woorden van Erhard: zodat “allen aan het succes deelnemen”, als de overheden ook hun rol spelen en zich waar nodig met de economie bemoeien. Inderdaad, “it’s the economy, stupid”. Het Rijnlandmodel pleit niet voor een overheid met almachtsambities, ze zet evenmin de overheid niet buitenspel maar in dienst van de samenleving: dat wil zeggen in dienst van de economische groei, van de sociale rechtvaardigheid en van het duurzame beheer van de aarde. Precies daarom is het Rijnlandmodel superieur aan het Angelsaksische en het Chinese model. 

Dit vind je misschien ook leuk...

4 reacties

  1. Harold schreef:

    Dat moet een hele zit geweest zijn. Maar wat een fantastisch verhaal van onze Zuiderbuur. Het is dat ik daar niet stemgerechtigd ben. Economische voorspoed, sociale rechtvaardigheid en duurzaam beheer van de aarde – het een kan niet zonder het ander. En wie het toch probeert, verdient een enorm pak op z’n lazer.
    Maar is ook bekend of Balkenende tijdens de speech van zijn vriend in zijn bord in slaap is gevallen? Of heeft iemand hem er al over gehoord? En waren de speech writers van Maria van der Hoeven ook aan zo’n verhaal bezig en hebben ze dat nu uit kinnesinne gestaakt? Waar staat onze Nederlandse staat?

  2. Martin Swinkels schreef:

    Inderdaad een erg goed verhaal. Het is voor het eerst dat we zo’n uitgesproken steunbetuiging aan het Rijnlandse model horen uit de mond van een Europese regeringsleider.

    Eén inhoudelijke kanttekening: Leterme wijst op de onjuistheid van de neoliberale aanname van voortdurend rationeel gedrag. Daar heeft hij gedeeltelijk een punt, maar hij vergeet volgens mij de “prisoner factor”. Namelijk de veelvoorkomende situatie dat individueel gedrag vaak rationeel is vanuit het individu, maar desastreus voor het collectief. Dit ‘prisoners dilemma’ (*) is de voornaamste reden waarom Adam Smith en Milton Friedman ongelijk hadden en waarom we een staat nodig hebben die af en toe ingrijpt in de samenleving.
    Een andere ontsnapping aan het prisoners dilemma is natuurlijk de factor ‘vertrouwen’ die Leterme wel uitgebreid bespreekt als kenmerk van het Rijnlands model.

    En nu maar hopen dat JPB wat geleerd heeft van zijn zuiderbuur.

    (*: http://nl.wikipedia.org/wiki/Prisoner's_dilemma)

  3. Sjaak Evers schreef:

    Geweldig goed verhaal uit onverdachte hoek, met onderbouwing en uitmonding in 5 overzichtelijke principes.

    De opmars van de beweging gaat nog steeds door, op weg naar haar hoogtepunt.

    Tegenaan kamaraden!

    Mathieu

  4. Sjaak Evers schreef:

    Nu ik het verhaal zelf nog eens goed lees, vind ik het echt een zeer volledig en genuanceerd verhaal. Het geeft belangstellenden gevoel voor herkomst, essentie, nadelen, uitdagingen en mogelijke door-ontwikkellingen/ nieuwe invullingen.

    Leterme (B) voegt zich tussen Angela Merkel (D), Wouter Bos / Jan Marijnissen (NL) en Segolene Royal (F) binnen Europa meteen op de nummer 1 positie zou ik zeggen.

    Sjaak

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *